Als het zo uitkomt, mag ik in mijn lessen graag onze Kees erbij halen, om het één en ander te illustreren, als Kees-study zogezegd. Bij de behandeling van de traditioneel onderscheiden hoofdstromen van het socialisme voer ik hem eerst op als (christen-)anarchist, vanwege zijn principiële afwijzing van het gezag van de staat; vervolgens mag hij opdraven als utopist - en ben ik in een vileine bui, dan roep ik nog erbij: totalitaire utopist!

Al op de lagere school (‘groen’) kregen wij Het Verhaal van Kees en Betty - zeg maar de hagiografische versie - opgedist, deels door medewerkers die zelf nog uit het tijdperk-Kees stamden. Later, in het kader van onze toneelproductie ‘KeesBoeke100’ - dat moet dus in 1984 zijn geweest - las ik zijn boek Kindergemeenschap, en bovendien Betty’s beschrijving van zijn leven. Vanaf dat moment had ik het idee dat we Kees niet zozeer moeten zien als onderwijs-, maar veeleer als maatschappijhervormer; elders heb ik het al eens gehad over de Werkplaats als voorpost van het Koninkrijk Gods. Als jongvolwassenen hadden Kees en Betty jarenlang nagedacht over de vraag die zovele van hun fin-de-siècle-generatiegenoten bezig hield: hoe te leven. Dat vraagstuk is door het huidige geslacht gereduceerd tot een glutenvrije, al dan niet veganistische lifestyle-kwestie, maar voor Betty en Kees betekende het, vanuit hun Quaker-idealen, onder meer een principiële afwijzing van de oorlog - waardoor zij in botsing kwamen, niet alleen met de Britse autoriteiten maar ook met het overgrote deel van hun maatschappelijke omgeving - en later het afzien van het gebruik van geld, met alle complicaties en absurde consequenties van dien, zoals ondervoeding van hun kinderen en gedwongen thuis-onderwijs.

Het beslissende moment in de stichting van de Werkplaats was namelijk het feit dat Kees het schoolgeld voor de Montessorischool via de gemeenteontvanger moest voldoen - wat er dan weer toe kon leiden dat Kees’ kwartjes en dubbeltjes (eigenlijk de farthings en dimes van Betty’s erfdeel in de chocolade-gigant Cadbury) indirect dan toch gebruikt konden gaan worden om bommen en granaten van te kopen. Eerder was eigenlijk niet gebleken dat Kees en Betty ontevreden waren over het onderwijs dat hun zes kinderen genoten. Sympathisanten en vrienden besloten zich aan te sluiten bij de nieuwe ‘school’ van het paar, en de rest is Geschiedenis - een geschiedenis die een paar jaar geleden uitvoerig en knap beschreven is door oud-werker Daniela Hooghiemstra in haar Boeke-bio De geest in dit huis is liefderijk. Uit dat boek komt ook mooi naar voren hoe Kees’ idealen telkens botsten met de weerbarstige werkelijkheid en hoe de Werkplaats van binnen en van buiten overeind werd gehouden door een netwerk van ‘helpers’ die bereid waren zich weg te cijferen voor het hoge ideaal, zoals Kees dat telkens wist te schilderen. (Ook daarover is recent het één en ander geschreven door Paulien Broekema in Het Boschhuis) In onze ‘KeesBoeke100’-productie voerden wij destijds Betty op als de pragmatische van het stel: [met een Brits accent tot een geagiteerde Kees] ‘Laten we er een kopje cocoa bij nemen, Kees; daar word jij altijd zo rustig van’. (Toen het erop aan kwam bleek Betty juist de meest principiële: zij wilde in de eerste oorlogsjaren liever de Werkplaats sluiten, dan gehoor te geven aan het bevel van de bezetter om de Joodse werkers te verwijderen; de beslissing om toch door te gaan pakte uiteindelijk in die zin goed uit, dat het het onderduiken van een aantal van deze kinderen mogelijk maakte - Betty echter liet zich heel consequent tot de bevrijding niet meer zien op school)

Ik ging een heel kritisch stukje schrijven, dacht ik, en nu ben ik toch weer verzeild geraakt in de hagiografische versie! Vanwaar dan de titel van dit stukje? Tja, een utopisch ideaal, die Kindergemeenschap, draagt altijd totalitaire trekken in zich, zeker als het voortkomt uit het brein van één persoon, in dit geval Kees. Ik moest daaraan denken toen ik bij een opruimpoging een boekje tegenkwam, waarin de Franse filosoof Roland Barthes een aantal opstelletjes heeft gebundeld over de Jezuïeten-stichter Ignatius van Loyola, de beruchte porno-markies De Sade en de utopische denker Charles Fourier, zonder twijfel bien etonnés de se retrouver ensembles. Het grootste deel van wat Barthes beweert gaat mij boven de pet, of glijdt af langs mijn veren; het verrassende eraan is vooral zijn visie op met name Sade en Loyola als utopische denkers: ‘(…) Een zelfde classificeerlust, eenzelfde verdeelwoede (…); alle drie [dus ook Fourier] maken ze het genot, het geluk, de communicatie afhankelijk van een onwrikbare orde (…)’

De Werkplaats van Kees doet denken aan de phalanstère, de woon/leefgemeenschap van Fourier. (Over deze schilderachtige denker zou nog veel meer te vertellen zijn, maar wellicht een andere keer.) Onze huidige Werkplaats (2.0 zeg maar), met z’n 360°- zelfevaluaties en feedbackformulieren, roept associaties op met de Geestelijke Oefeningen van Ignatius, waarmee de geavanceerde gelovige in nimmer-eindigende cyclussen van zelfevaluatie dichter bij God moest komen, net zoals de werkers van vroeger en nu uit zichzelf het gewenste gedrag moeten gaan vertonen. En onze verplichte stilte-uren hebben verdacht veel weg van een disciplinering van het lichaam à la de Franse filosoof Foucault, waarmee ook de Werkplaats van nu zich moeiteloos laat scharen onder diens disciplineringsinstellingen als de Gevangenis en het Gekkenhuis.